Artesis Hogeschool Antwerpen - Studeren in Antwerpen, Mechelen, Lier en Turnhout

Verklarende info bij de studiegids Afdrukken E-mailadres

Klik hier om onze studiegidsen te raadplegen.


Verklarende info bij de studiegids:


ONDERWIJSORGANISATIE


Hoorcollege:

les, meestal voor een grotere groep (10 à 200 personen), waarbij de docent actief de leerstof overbrengt; activiteit van de studenten is laag

Activerend college:

les, waarbij de docent bij het overbrengen van de leerstof de studenten activeert door vraagstellingen, korte opdrachten, .... Een zekere mate van activiteit van de studenten is vereist.

 
Werkcollege:

Onderwijsvorm waarbij kennis, inzicht en vaardigheden aan een kleinere groep studenten overgedragen worden.

Onder begeleiding voeren ze (voorbereide) opdrachten uit en bespreken de resultaten ervan.

Deze opdrachten zijn erop gericht het probleemoplossend vermogen van studenten in een bepaalde discipline te verhogen of specifieke vaardigheden in te oefenen.

 
Zelfstudie:

student dient aan de hand van de reeds verworven competenties, zelf in te staan voor het verwerven van bijkomende competenties aan de hand van opdrachten


Begeleide praktijk:

hierbij gaat de student actief de leerstof inoefenen en toepassen aan de hand van opdrachten; begeleiding door docent, assistent is voorzien (practicum, labo, oefeningen, opdrachten, atelier, case study,…..)

 
Zelfstandige praktijk:

 hierbij gaat de student actief de leerstof inoefenen en toepassen aan de hand van opdrachten; begeleiding is niet voorzien (practicum, labo, oefeningen, opdrachten, atelier, case study,…..)

 
Artistieke praxis:

onder leiding van de docent als kunstenaar/expert/coach, vindt  hier het artistieke onderzoek, de onderzoeksvraagstelling en de onderzoeksweg plaats tot een resultaat bekomen wordt ( bij opleidingsonderdelen zoals instrument, speltraining, danstechnieken…)

 
Atelier:

onder leiding van (een team van) docent(en) als kunstenaar(s)/expert(en)/coach(es), is er een dominante component praxis en reflectie die inherent zijn aan het studie- en vakgebiedgebied. ( bij opleidingsonderdelen zoals artistiek (hoofd) atelier, restauratie en conservatiepraxis en reflectie, maar ook technieken zoals lassen, moulage, steenkappen,…)


Excursie:

de student verlaat de lokalen en gaat naar realiteit (de reële wereld), hierbij worden opdrachten meegegeven (kijken, observeren, ontdekken, doen,…).
  

Supervisie:

onder begeleiding van een supervisor, reflecteert de student kritisch over het eigen professioneel functioneren in de praktijkstage en over de ontwikkeling van de eigen competenties. Dit gebeurt gedurende de stageperiode, tijdens een wekelijkse samenkomst met een kleine, vaste groep medestudenten.


Micro-teaching

Uitproberen van lessen/lesmomenten bij peergroepen waarbij men zich inleeft in de desbetreffende doelgroep waarbij men na reflectie in plenum plus- en pijnpunten detecteert en remedieert
 

Stage:

de student gaat gedurende een bepaalde periode taken uitvoeren in een reële werksituatie. Hierbij worden de reeds verworven competenties getoetst aan de realiteit en verder ingeoefend.
 
Onderscheid kan gemaakt worden naar :

Snuffelstage:

nadruk ligt op het observeren van processen binnen de beroepspraktijk, met de bedoeling het gevoel voor de praktijk en het beroep, beroepenveld te ontwikkelen. Eindproduct is een verslag met een analyse van de eigen observaties.

Meeloopstage:

student gaat actief meedoen aan bestaande activiteiten en werkzaamheden binnen de organisatie. Activiteiten kunnen divers van karakter zijn, en zijn op het niveau van een juniormedewerker

Praktijkstage:

vaak een verplicht onderdeel bij opleidingen die voorbereiden op een welomschreven  beroepsprofiel waarvoor specifieke kwalificaties zijn vereist. Het doel van dit type van stage is het inzetten van kennis en vaardigheden vanuit de opleiding, bij situaties die kenmerkend zijn voor de latere beroepsituatie.

Onderzoekstage:

doel is het zelfstandig uitvoeren van een wetenschappelijk onderzoek. Voorwaarde hierbij is, dat de student reeds ervaring heeft in wetenschappelijk onderzoek en minstens reeds één wetenschappelijk leeronderzoek met succes heeft afgerond.

 

EVALUATIE EN ORGANISATIE


Bij evaluatie worden verschillende componenten onderscheiden:

  1. toetsvorm:  naam; wat toets men en waarvoor wordt het gebruikt
  2. modaliteit van / voorkomen van de toetsvorm : schriftelijk, mondeling, digitaal, MC
  3. tijdstip: per semester (semester 1 of semester 2), per academiejaar
  4. wie is er bij betrokken en brengt een oordeel uit : (s)Olod-verantwoordelijke, dOlod-titularis, externen, assessementteam,...
  5. wanneer meerdere en verschillende vormen worden gebruikt, dient de onderlinge verhouding in % te worden weergegeven.

 

TOETSVORM
 

Kennistoets
   

Omschrijving  

Een toets die controleert of de student na afsluiting van een bepaalde studieperiode de beoogde kennis heeft verworven.

Er zijn verschillende vormen van kennistoetsen, zoals:

  • Toetsen met gesloten vragen ( meerkeuzevragen/MC-vragen, juist/onjuist-vragen.
  • Toetsen met open vragen (essayvragen).
  • Toetsen met gesloten en open vragen gecombineerd.   


Wat toetst men?         

Het beheersingsniveau van de beroepsgerichte en theoretische kennis waarover de student dient te beschikken. Dit beheersingsniveau kan onderscheiden worden naar: kennis, begrip, toepassing, analyse, synthese en evaluatie.
         

Gebruik          

Vooral bij de opbouw van de body of knowledge en het bijbehorend professionele begrippenkader.

Deze toetsvorm kan ook worden ingezet om de instandhouding en/of verbreding van de body op knowledge te garanderen.

De toets wordt gebruikt om:

  • Een summatief oordeel uit te spreken.
  • Een formatief ( of diagnostisch )oordeel uit te spreken.

De items van de kennistoets maken zichtbaar welke aspecten van de body of knowledge getoetst en beoordeeld worden.

 

 
Voortgangstoets        

          
Omschrijving  

Een kennis- en/of vaardigheidstoets die periodiek de body of knowledge van de student toetst. Bestaat uit een groot aantal vragen/opdrachten over alles dat een beginnende beroepsoefenaar geacht wordt te weten/kunnen.
      

Wat toetst men?         

De toename van kennis en/of vaardigheid uit alle domeinen van de actuele beroepspraktijk.
Op basis van de voortgangstoets kan worden bepaald welk kennis/vaardigheden de student al bezit en wat hij nog moet leren.
     

Gebruik

  • Als instaptoets: wanneer studenten vanuit allerlei richtingen instromen, kan bepaald worden hoeveel basis de student al bezit en wat hij nog moet verwerven.
  • Als (zelf) diagnostische toets: in kaart brengen waar de zwakke plekken zitten met het oog op verdere studieplanning.


             

 
Casustoets     


Omschrijving  

Een probleem of gevalsbeschrijving, ontleend aan de beroepspraktijk die aan de student wordt voorgelegd en waaraan gewerkt moet worden met behulp van omschreven kennis en vaardigheden.

Een casus kan op verschillende manieren aan de student worden gepresenteerd:

  • Een korte casus van vijf à tien regels die goed gestructureerd is en een aantal vragen bevat die beantwoord dienen te worden.
  • Een uitgebreide gevalsbeschrijving met bijbehorend achtergrondmateriaal en met aanwijzingen waar verder relevant materiaal te vinden is.
  • Een uitgebreide gevalsbeschrijving over een complexe kwestie die opgelost moet worden. Aan de beschrijving is zowel belangrijk en niet ter zake doend materiaal toegevoegd dat al dan niet gebruikt kan worden.

Er zijn verschillende vormen van casussen, van schriftelijke tekst tot game, film, dossier met toelichting. In alle gevallen is de vraag WAT gedaan moet worden om de in de casus opgenomen vragen of problemen op te lossen.

          

Wat toetst men?         

Generieke competenties, zoals probleem oplossen, analyseren, communicatie, attitudevorming, informatieverwerking.

Beroepspecifieke kennis en vaardigheden die nodig zijn om de casus goed te doorzien en op te kunnen lossen.

Studenten kunnen in deze toetsvorm aantonen:

  • dat zij beroepsrelevante problemen herkennen;
  • situaties kunnen onderzoeken en analyseren;
  • kennis en methoden kunnen toepassen om tot een oplossing te komen.

          

Gebruik                      

De casustoets kan zeer verschillend worden gebruikt:

  • Als onderdeel van een kennistoets, waarbij aan een korte casus vragen zijn verbonden om zo toepassing- en analysevragen te kunnen stellen.
  • Als de opmaat voor het ontwikkelen van nieuwe kennis, inzichten en vaardigheden. De casus wordt bij aanvang van een nieuw onderwijsblok/-periode gepresenteerd en de resultaten worden aan het eind van die periode beoordeeld.
  • Als thuisopdracht. De casus wordt in de loop of aan het eind van een opleidingsonderdeel aan de student uitgereikt. Een variant is dat de student zelf een casus schrijft.


 

 
Vaardigheidstoets

          
Omschrijving  

Een toets die controleert of de student over de gewenste vaardigheden beschikt, ofwel kan demonstreren dat bepaalde beroepsvaardigheden correct en adequaat worden uitgevoerd.           

Er zijn verschillende vormen van vaardigheidstoetsen, zoals:

  • Hands-on (work sample test): de student voert een taak uit in een reële setting met gebruik van realistisch apparatuur en andere specifieke aspecten uit de beroepscontext.
  • Simulatie: de setting en de te gebruiken attributen zijn geconstrueerd, nagemaakt.
  • Hands-off: de student laat in een bepaalde situatie zien of hij weet wat er gedaan moet worden. Daarbij wordt precies aangegeven hoe de student de handeling uitvoert en welke overwegingen daarbij genomen worden. Hij voert de handelingen ter plekke echter niet zelf uit.


Wat toetst men?         

In welke mate de student een bepaalde (deel)vaardigheid of (deel)handeling beheerst of kan uitvoeren. Afhankelijk van het beoogde doel wordt bepaald of een vaardigheid in zijn geheel getoetst wordt of dat vooral gekeken wordt naar bepaalde aspecten van een vaardigheid.
Om de keuze van de te toetsen items aan te scherpen, wordt gebruik gemaakt van verschillende manieren en niveaus om vaardigheden in en op te delen.

Een veel gebruikte categorisering is:

  • Cognitieve vaardigheden.
  • Motorische of psychomotorische vaardigheden.
  • Reactieve vaardigheden.
  • Interactieve vaardigheden.


Gebruik           

In alle studiefasen. In het begin wordt vaak gebruik gemaakt van gesimuleerde situaties. In latere studiefasen wordt de hands-on gebruikt als onderdeel van stage- en praktijkopdracht.

 

 
Projectopdracht        

          
Omschrijving  

Een vraag of opdracht van een bedrijf, organisatie of instelling die door één student of door een groep studenten opgelost moet worden. Dit kan gaan van een gesimuleerde opdracht, over echte opdrachten, naar situaties waarbij de student moet solliciteren om de opdracht te mogen uitvoeren.
          
Wat toetst men?         

A. Beroepscompetenties of delen daarvan.

Binnen het kader van de opdracht wordt gekeken naar:

  • De mate waarin de opdracht naar tevredenheid van de opdrachtgever is uitgevoerd.
  • Onderbouwing van keuzes met gebruikmaking van theoretische en methodische kennis, inzichten en ervaringen van de beroepsgroep.
  • Wijze van presenteren.

  
B. Algemene competenties :

  • Niveau van probleemanalyse en probleemdefinitie.
  • Toepassing kennis en vaardigheden in de context van de projectopdracht.
  • Projectmatig werken (plan van aanpak maken, bijstellen en evalueren).
  • Verantwoording van gemaakte keuzes.
  • Vertaling en/of ontwikkeling van interne en externe kwaliteitscriteria naar eisen aan product, presentatie en verantwoording.



Gebruik                      

Gedurende alle opleidingsfasen, waarbij opgemerkt wordt dat:

  • De complexiteit van het probleem en context toeneemt.
  • De kwaliteitseisen die aan het product gesteld worden in toenemende mate door de student zelf verantwoord worden.



 
Assessment   


Omschrijving  

Een integrale toetsing, waarin de student in kritische beroepssituaties taken moet uitvoeren en daarbij zijn competentieniveau demonstreert. Een assessment kan uit één of meerde complexe opdrachten bestaan, die representatief zijn voor het handelen van professionals.

Het wordt vaak afgesloten met een reflectief gesprek waarin de student gevraagd wordt naar de keuzes die hij tijdens de uitvoering heeft gemaakt.

          
Wat toetst men?

  • De uitvoering van de beroepstaken is in overeenstemming met het vereiste competentieniveau. Dit impliceert parate kennis, analytische en probleemoplossende vaardigheden, professionele attitude, gesprekstechniek en kennis van procedures en methodieken die van belang zijn voor het professioneel handelen tijdens de opdrachten van het assessment.
  • Het niveau waarop de student kan verantwoorden welke keuzes hij in de uitvoering van opdrachten heeft gemaakt en kan reflecteren op eigen handelen.


   

Gebruik

  • Bij toelating tot een opleiding in de vorm van een intake-assessment: zie intaketoets.
  • Bij toelating tot een volgende fase van de opleiding (bv. differentiatie of een stage).
  • Summatief: ter afronding van een groot studieonderdeel
  • Als diagnostisch instrument, waarvan de uitkomsten in een persoonlijk ontwikkelingsplan worden verwerkt.


 

 
Stage- en praktijkopdracht

          

Omschrijving  

Een opdracht uitgevoerd voor en bij een instelling of bedrijf waar een student in het kader van zijn opleiding stage loopt, werkt of een contractopdracht voor uitvoert.

De aard van de opdracht bestaat in regel uit het uitvoeren van bepaalde taken of clusters van werkzaamheden. Hierover wordt gerapporteerd aan en geëvalueerd met een begeleider of vertegenwoordiger vanuit de instelling.

Stage- en praktijkopdrachten kunnen onderscheiden worden naar:

  • Oriënterende opdracht: de student bezoekt een instelling of loopt met een beroepskracht mee. Het doel is om zich bijvoorbeeld een beeld te vormen van een bepaald beroep, een beroepssituatie of werkwijze.
  • Stage- of praktijkopdracht: de student loopt stage bij een instelling of is daar werkzaam, voert daar een aantal gerichte opdrachten/taken uit en leert zo alle impliciete en expliciete aspecten van het werk kennen.


Vormen waarin stage- en praktijkopdrachten worden getoetst:

  • Startverslag waarin opgenomen o.a. leerdoelen en plan van aanpak.
  • Tussentijdse evaluatie waarin opgenomen o.a. voortgangsrapportage.
  • Eindverslag waarin opgenomen bereikte leerresultaten.
  • Demonstratie van bepaalde beroepshandelingen, gecombineerd met de verantwoording over voorbereiding en evaluatie (Proeve van bekwaamheid).
  • Mondelinge evaluaties of functioneringsgesprekken aan de hand van een vooraf opgestelde agenda.
  • Combinaties van bovenstaande.


          

Wat toetst men?         

. Beroepscompetenties of delen daarvan.

Wat toetst men?         

A. Beroepscompetenties of delen daarvan.

Binnen het kader van de opdracht wordt gekeken naar:

  • De geleverde producten en/of diensten.
  • De wijze waarop werkzaamheden zijn uitgevoerd (doelmatig, effectief, efficiënt).
  • De omgang met opdrachtgevers, leidinggevenden, collega’s. De omgang met de zorgvrager en diens omgeving (individu, groep, systeem). 
  • Specifiek voor de oriëntatieopdracht: vermogen om zich een beeld te vormen van de beroepspraktijk en daarover te communiceren. 
  • Specifiek voor de beroepsopdracht: de uitvoering van beroepshandelingen binnen de randvoorwaarden die de organisatie/instelling heeft.


B. Algemene competenties :

  • De wijze waarop leerdoelen worden opgesteld, gerealiseerd en geëvalueerd in het kader van de ontwikkelingsplannen van de student


          

Gebruik                      

  • Gedurende de gehele opleiding.
  • Opbouw van opdrachten;
  • Oriëntatieopdrachten
  • Typerende beroepsspecifieke opdrachten.
  • Differentiatie: beroepsspecifieke opdrachten in de context van differentiatie / afstudeerrichting.

 

 
 
Reflectieopdracht

         

Omschrijving  

De student kijkt terug op ervaringen in een bepaalde leer- en beroepssituaties.

  • Hij/zij onderzoekt en interpreteert deze ervaringen en zijn/haar eigen aandeel daarin.
  • Hij/zij probeert hierdoor zijn/haar ervaringen en kennis te (her)structureren.
  • Hij/zij 'leert', dat wil zeggen hij/zij verandert zijn handelen.
  • Hij/zij brengt hiervan verslag uit.

Het object van reflectie kan variëren:

  • Reflectie op het leerproces/ werkproces/leerresultaten.
  • Reflectie op theoretische/praktische keuzes.
  • Reflectie op omgaan en samenwerking met collega’s, andere beroepsbeoefenaren.

          

Wat toetst men?

  • Inzicht in sterke/zwakke kanten.
  • Het vermogen om van een afstand te kunnen kijken naar eigen handelen in studie en praktijksituaties. Dit om inzicht in de eigen manier van kennis verwerven te krijgen, zoals:
  • Hoe leer je, hoe oriënteer je je op nieuwe situaties, hoe plan je je werkzaamheden, wat kun je leren van anderen.
  • De kracht/sterkte van de reflectie: heeft de student echt goed naar zichzelf gekeken.
  • Is ontwikkeling zichtbaar en aantoonbaar.
  • Is het gebruik van de feedback van anderen  inzichtelijk.

          

Gebruik          

  • Tijdens de individuele studieloopbaan en ontwikkeling van de student.
  • In het kader van een project-, stage- of praktijkperiode.
  • Bij supervisie en intervisie.
  • Bij mentoring- en coachingactiviteiten.
  • Bij peer assessment, self assessment en 360° feedback.

 

 

Portfolio

 

Omschrijving  

Een (digitale of papieren) map met daarin een verzameling van producten, verslagen en (zelf)beoordelingen.

De student selecteert producten die hij representatief vindt en dienen als:

  • Bewijslast voor zijn competentieniveau.
  • Reflectie op het niveau van eigen competentieontwikkeling.
  • 'Show case' bij sollicitaties naar een stageplaats, opdrachtgever c.q. nieuwe baan.
  • Het portfolio kan zowel een formatieve als summatieve functie hebben.

 

Wat toetst men?

  • Het huidige niveau van de student ten opzichte van het competentieprofiel van de opleiding.
  • Het vermogen om te reflecteren op eigen ontwikkeling.
  • Het kunnen verantwoorden en legitimeren van gemaakte keuzes.
  • Het richting geven aan het komend ontwikkelingsplan.
  • Het presenteren van zichzelf als aankomend professional.
  • Het kunnen structureren en redigeren van de eigen geschiedenis.

 

Gebruik          

  • Aantonen te beschikken voer het vereiste competentieniveau bij verschillende fases van de opleiding. Dit om de overgang in een studiefase te markeren.
  • Instapvoorwaarde voor deelname aan een assessment/beoordelingsmoment.
  • Bij toelating in het kader van zij-instroom tot een (verkorte) opleiding (Intake asssessment).


 

 
Afstudeeropdracht

          

Omschrijving  

Eindopdracht ter afronding van de opleiding, ‘meesterproef’ die door de student zelfstandig is uitgevoerd. Het betreft een vraagstuk uit de praktijk en levert een bijdrage aan de ontwikkeling van het vakgebied.

Er zijn verschillende vormen van afstudeeropdrachten, zoals scriptie, beroepsproduct, externe opdracht, combinatie stage- afstudeeropdracht.

          

Wat toetst men? 

  • De overeenstemming tussen de gerealiseerde eindkwalificaties met de nagestreefde eindkwalificaties qua niveau, oriëntatie en domeinspecifieke eisen en de manier waarop dit blijkt uit de beoordelingscriteria voor de afstudeeropdracht.
  • De wijze waarop de student zelfstandig een voor het werkveld relevante vraag of opdracht formuleert en deze tot een goed einde brengt.
  • De wijze waarop de student in de opzet, uitvoering en evaluatie van de opdracht, laat zien dat hij over de generieke en beroepsgerichte kwalificaties van een beginnend professional beschikt.
  • De mate waarin de uitwerking voldoet aan de gestelde kwaliteitscriteria.
  • De wijze waarop de student de bevindingen voor het voetlicht brengt in de vormgeving van het afstudeerproduct en de presentatie.

          

Gebruik

  • Bij afronding van de laatste fase van de opleiding.
  • Als complexe opdracht waarin kennis uit theorie en praktijk verbonden worden met praktijkgericht onderzoek, wetenschappelijk onderzoek en/of ontwerp.


 
 
Procestoets

 
Omschrijving  

Een permanente procesmatige competentietoets of de studenten over de gewenste kennis, vaardigheden en attitudes beschikken. De toetsing gebeurt door permanente observatie door de betrokken titularis en periodiek door de opleidingsverantwoordelijke en/of artistieke directie.

 
Wat toetst men?

Aanwezigheid, actieve participatie en interactie tijdens de opleidingsmomenten en opdrachten, reflectie en visie, individuele groei en attitudevorming (zelfdiscipline, zelfstandigheid, leergierigheid, inzet, motivatie, flexibiliteit, omgaan met kritiek), en de integratie van al deze voorgenoemde facetten.

 
Gebruik          

  • in alle studiefasen.
  • Deze toetsvorm kan worden ingezet om de instandhouding en/of de verbreding van de body of knowledge te garanderen
  • Kan gebruikt worden in combinatie met andere evaluatievormen.



 
Jurybeoordeling

 
Omschrijving  

de beoordeling van autonoom werk of een opdracht, met een hoofdzakelijk conserverende, restaurerende, artistieke en/of technische dimensie wordt toevertrouwd aan een meerkoppige jury. Deze jury kan minimaal bestaan uit opleidingsonderdeelverantwoordelijken, titularissen en lesgevers uit andere opleidingsonderdelen. Gaat het om de jurering van een  masterproject, dan worden tenminste twee deskundige externe leden uitgenodigd om een oordeel te vellen over de kwaliteit van de masterproject. Deze jury wordt voorgezeten door een O.P lid dat niet actief is in het atelier/studio van de te beoordelen student.

 

Wat toetst men?

A. algemeen

  • verworven inzichten en vaardigheden;
  • reflectie op het eigen werk;
  • contextualiseren van eigen werk (creatie, objectbehandeling) t.o.v. andere kunstenaars of in historisch perspectief;


B. voor masterproject:

  • de student is in staat om zelfstandig, planmatig en doelgericht aan een eigen project gestalte te geven;
  • weet het vooronderzoek (op een innoverende wijze) in het masterproject te integreren


 
Gebruik                      

  • bij artistieke opleidingsonderdelen (zoals atelier en masterproject)
  • (in de opleidingen Beeldende kunst en Conservatie en Restauratie).


 

 
 

Artesify jezelf

NIEUWS
Hans Theys behaalt doctoraat in de Kunsten
Op dinsdag 15 mei behaalde auteur, vormgever en curator Hans Theys  met het proefschrift ‘Het Kijkbeeld. Een pleidooi voor een meervoudige benadering van de wereld, vertrekkend... meer...
Tweede editie Pimp My Lyrics groot succes
Op 9 mei werden de trofeeĂ«n van de tweede “Pimp My Lyrics” wedstrijd uitgereikt in de Willem Elsschot-aula van de Artesis Hogeschool vertalers en tolken te... meer...
geboortehuis Novo Vida tweede op de finale van 'de bedenkers'
Het Geboortehuis Novo Vida (Gezondheidszorg) werd geselecteerd voor de finale van De Bedenkers – klaseditie, bekend van het programma op één. De finale vond vorige vrijdag... meer...
RSS Feed meer nieuwsberichten

PRAKTISCHE INFO

Raadpleeg onze online studiegids

Doorblader onze infobrochure(s)
Download onze infobrochure(s)
Aanvraag infobrochure(s)

Onze vestigingen en contactgegevens

LINKS

Volg Artesis op:  Netlog Facebook

Sociale Voorzieningen Artesis Hogeschool Antwerpen BlackBoard
Webmail Studenten Associatie Universiteit en Hogescholen Antwerpen
   meer links...


© 2012 Artesis Hogeschool Antwerpen
Keizerstraat 15, 2000 Antwerpen | T +32 3 213 93 00 | F +32 3 213 93 41 | info@artesis.be | webmaster: Stefan Mortelmans
sitemap - vestigingen en contactgegevens